Column: In afwachting van de verlossing liggen we plat

Column: In afwachting van de verlossing liggen we plat

Toen de Koning Boudewijnsnelweg in gebruik werd genomen, heette het dat dit een goede zaak was voor de ontsluiting van de Kempen. Dik een halve eeuw later is de euforie toch wat getemperd. Hoewel de ontsluiting zo’n 50 meter bedroeg, in gynaecologische termen toch niet gering, is Taxandria nog altijd in verwachting van een definitieve oplossing voor haar mobiliteitsproblemen. De bevalling lijkt intussen verder weg dan ooit: de ontsluiting is, onder de vorm van geluidsschermen, op vele plaatsen een afsluiting geworden. En waar dat niet het geval is, staan borden met de klaagzang van de aangelanden: ‘Lawaai sinds 1964’. De weg zelf staat ’s morgens en ’s avonds potdicht. De gemiddelde snelheid valt terug tot zo’n 20km/u, fors minder dan die van de zondagse lycrarijder.

Ontmoedigend, zou je denken, maar tot nader order ziet het beleid er vooral een aanmoediging in: als het asfalt ons niet de verhoopte mobiliteit heeft gebracht, dan komt dat omdat er niet genoeg van werd gegoten. En dus waren we gisteren in verwachting van een noord-zuidverbinding en zijn we vandaag zwanger van een Oosterweelverbinding.

In afwachting van de verlossing liggen we plat. Amechtig ademend, want de luchtkwaliteit is er in al die jaren ook niet op vooruit gegaan. De verkorting van ons leven is reëler dan die van de files. Geen wonder dat hier en daar de twijfel begint te knagen. Dat sommigen zich vragen stellen. Als wij de politici hebben die we verdienen, hebben wij dan misschien ook niet de mobiliteit die we verdienen?

Waarom zijn de transfers naar Wallonië wél een issue en die naar de ietwat mensonvriendelijke olie-garchen in het Midden-Oosten niet? Is het niet olie-dom te blijven investeren in infrastructuur die ons almaar afhankelijker maakt van een schaarser wordend goed? En wordt onze samenleving daarmee eigenlijk competitiever, zoals beoogd en beweerd, of juist kwetsbaarder?

Stel nu nog dat morgen de files zijn opgelost, zijn we dan allemaal mobiel? Nope, natuurlijk. Al wie niet over een auto beschikt, valt uit de boot: kinderen, ouderen, zieken, de groene weduwen die achterblijven op de verkaveling-ver-van-alles-af wanneer de partner met de gezinswagen onderweg is en, last but not least, de mensen die zich geen auto kunnen veroorloven. In tegenstelling tot wat doorgaans wordt gedacht, vormen de genoemden een meerderheid. Geen minderheid.

Slecht nieuws dat bij nader inzien wel eens heel goed nieuws zou kunnen zijn. Want als het allemaal anders moet, wat is er dan mooier dan te weten dat daar een meerderheid voor is? Zo bekeken is het nog slechts een kwestie van tijd voor de Kempen vervelt van een verkeershel tot een verblijfsparadijs, waar de zaak van de kern (en niet het shoppingcenter) de kern van de zaak is, de e-fietsrevolutie haar beslag krijgt in velostrades en een fijnmazig netwerk van trage wegen (die soms veel sneller zijn), korte ketens veel vrijheid geven aan landbouwers en consumenten, het delen zich wonderbaarlijk vermenigvuldigt en openbaar vervoer een verhaal wordt dat niemand wil missen.
Te langen leste zal onze regio dus alsnog bevallen. Om precies te zijn: ze zal iedereen bevallen. Inclusief beleid, exclusief in de Kempen, zoiets.

Herentalsenaar Kris Peeters heeft een lichtjes afwijkende kijk op mobiliteit. Hij schreef daar een blog en boeken over en geeft er lezingen over op soms met het openbaar vervoer of de fiets bereikbare plaatsen.

2016-12-16T21:22:26+00:00