Uitdagingen voor het lokaal cultuurbeleid in een veranderende samenleving

Uitdagingen voor het lokaal cultuurbeleid in een veranderende samenleving

Gie van den Eeckhaut bracht zijn verhaal over het hedendaagse lokaal cultuurbeleid. Hij schetste kort wat democratie inhoudt en vertelde over de verschillende bestuursmodellen doorheen de geschiedenis. Vervolgens ging hij in op de gevolgen daarvan op een lokaal bestuur en hoe je als ambtenaar kan inspelen op hedendaagse ontwikkelingen en veranderingen.

Presentatie

Evolutie in beleidsmodellen

De cultuurbeleidscoördinator werkt voor de gemeente/stad, geeft beleid mee vorm en voert het uit. Dit betekent dat hij functioneert binnen een democratisch systeem. Democratie is altijd een normatief debat, er zijn namelijk veel verschillende invullingen van de rol van de overheid en dat bepaalt ook de rol van de cultuurbeleidscoördinator.

Doorheen de geschiedenis werd er op verschillende manieren gekeken naar de taak van het beleid: Public Administration, Public Management en New Public Governance zijn drie verschillende beleidsmodellen. In de jaren 70-80 kwam er een correctie op de eenzijdige feedback via verkiezingen en richtte men de adviesraden op. Maar deze gaven enkel advies, het primaat lag nog steeds bij de politiek. In de jaren 90 krijgt de bureaucratie een slechte naam en worden de principes van bedrijfsmanagement overgenomen in het overheidsbeleid. Na de jaren 90 professionaliseert de ambtenarij, waardoor het primaat van politiek wordt ondergraven.

Vandaag vervagen de grenzen tussen de sectoren en er ontstaan nieuwe burgerinitiatieven. Bestuurlijk evolueren we nu van een bureaucratie naar een ‘dans der partners’.

Reacties uit publiek

  • ‘De verschillende modellen zijn vandaag aanwezig in bestuur, maar dat is ook sterk gelinkt aan welke politieke partij aan de macht is en de visie van de politieker. Vandaag zit het reglement (bureaucratie) vaak nog in onze hoofden, maar tegelijkertijd moeten we omgaan met groepen die buiten het reglement vallen, zoals de nieuwe burgerinitiatieven. Ook in de hoofden van politici en ambtenaren zijn sommige modellen nog dominant, sommigen beschouwen de administratie als uitvoerder, anderen als partner.’
  • ‘We zitten vandaag sterk in een klantenbenadering en veel mensen willen in de uitvoerende rol van administratie blijven. Het oud perspectief geeft een zeker veiligheidsgevoel, terwijl de rollen van de toekomst veel spannender en meer experimenteel zijn.’
  • ‘Veel burgerinitiatieven ontstaan in dezelfde socio-economische lagen van de samenleving: blanken, tweeverdieners en hoogopgeleiden. De rest van de bevolking zien we niet. Ik vind het dus wel gevaarlijk om te zeggen ‘we dienen aan de slag te gaan met maatschappelijke innovaties van burgers’, want dan vergeet je wel 80% van de bevolking.’
  • ‘Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Het is geen struikelblok, maar wel een aandachtspunt. Belangrijk is niet waar de initiatieven starten, maar of je er nadien anderen mee kan bereiken.’

Wat kunnen lokale besturen ondernemen?

Gie spreekt over een tussenruimte: de ruimte tussen de bestuurlijke context en wat er in de leefwereld van mensen gebeurt. Via tragere leerprocessen dienen we in te zetten op die tussenruimte waar burgerinitiatieven elkaar voortdurend raken, zodat er ruimte is voor interactie en voor thema’s van burgers. We kunnen ‘slim passief’ zijn: een ruimte vrijlaten waarin burgers zelf initiatieven kunnen nemen. Ook kunnen we vitale coalities vormen, wat betekent dat we ons verenigen rond gedeelde ideeën die van vitaal belang zijn. Innovatieruimtes en -netwerken faciliteren zijn belangrijk om plekken te creëren waar burgers zich op elkaar kunnen betrekken. Summits, pitchingsessies, adoptiemarkten en innovatielabs kunnen hierbij handige methodieken zijn om ruimtes te creëren waar mensen ideeën op tafel leggen en delen voor ze in de uitvoeringsfase zijn. Vanuit deze visie en manier van werken ontstaat er een ander profiel van de ambtenaar. De werkveldambtenaar gaat netwerken aan en vanuit die relationele verbinding gesprekken voeren met verschillende diensten. Voorwaarde is dat de ambtenaar een groot vertrouwen en de rol krijgt om dingen op het publieke forum te brengen.

Daarnaast is er een proces van informalisering van de bevolking aan de gang. Ook ideaal is dat de ambtenaar hierin moet meegaan. Er zou meer vertrouwen moeten komen in informele verhoudingen.

Meer leren denken en werken in regionale schalen is een andere uitdaging waar we voor staan. Voor kleine gemeenten is het volume vaak te klein om alles in beweging te zetten. Daarom dat een aantal kwesties regionaal dienen aangepakt te worden.

Reacties

  • ‘We moeten meer werken aan intergemeentelijke samenwerking en daarbij is een goed contact tussen ambtenaren nodig. Mobiliseren van een gedeeld netwerk zorgt ervoor dat je meer kan realiseren dan wat je alleen doet, het zorgt voor een verlichting van de werkdruk.’
  • ‘Ik heb niet direct de indruk dat het ander werk wegneemt, het komt er gewoon bij. Hangt ook af van de structuur van de gemeente, niet iedereen staat er op dezelfde manier tegenover.’
  • ‘Hangt ook af van de gemeente zelf, van waar de behoeften liggen. Intergemeentelijke samenwerking kan een tegengewicht bieden voor fusies die ze willen opleggen aan gemeenten.’

Gie: op dit moment moeit het Vlaams beleid zich niet met het lokale. De vraag is of dit een goede zaak is. Vlaanderen zou bijvoorbeeld verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het stimuleren van intergemeentelijke samenwerking. Je ziet veel mogelijkheden om intergemeentelijk te gaan samenwerken (cultuur, burgerschap, sport,…), op cultureel vlak werken we nog erg lokaal en is dit niet evident. Dat is dus wel een stimulus om daar verder op in te zetten.

  • ‘Vanuit een project van Vormingplus, Mijn 2040, werken we intergemeentelijk en we krijgen wel veel positieve reacties. Ik voel een soort van interesse en verbondenheid, maar het is niet altijd even makkelijk.’
  • ‘Intergemeentelijke samenwerking geeft inderdaad extra werk, maar het feit dat je met meerdere gemeenten bent,  maakt dat men niet voor elkaar wil onderdoen. De gemeenten zullen dus extra hun best doen.’
  • ‘De intergemeentelijke samenwerking situeert zich veel meer in de formule van beweeglijke netwerken dan in intergemeentelijke samenwerking. Het gevoel speelt vaak sterk dat wanneer we iets inleggen, we ook iets terug verwachten. Bovendien is de terugkoppeling naar lokale besturen die daarachter zitten en de bevolking toch moeilijker. Als experimentele ruimte zijn beweeglijke netwerken wel positief, de vraag is alleen hoe Vlaanderen daarmee omgaat.’
  • ‘Ik ben voorstander van de veldwerker. Maar wat hebben we nodig en hoe kunnen we daarin begeleid worden?’

Antwoord: ‘Het gaat om mensen die communicatief erg sterk zijn en een bepaalde knowhow hebben. Ze moeten natuurlijk ook voldoende autonomie krijgen van het beleid en hun eigen positie verdienen. Ik geloof niet in een mandaat, maar wel een mandaat dat je zelf verdient.’

  • ‘Laat ons methodes bedenken om ambtenaren meer uit hun stoel te halen. Bijvoorbeeld voor pitchingsessies ambtenaren inhuren als consultancy.’

achtergrond

Gie schreef eerder samen met Fred Dhondt in 2014 ook dit document:

2017-08-24T12:55:44+00:00